Eergisteren stond er ‘n man voor ‘n slagerij.
Hier in het centrum van Den Bosch.
Ik schat dat-ie een jaar of 60 oud was.
Zijn rug was naar mij toe gekeerd en zijn gezicht was richting de slagerij.
In zijn hand had hij een mobiele telefoon die hij aan zijn oor hield.
Hij was dus in gesprek.
Terwijl ik hem voorbij liep hoorde ik hem tegen de persoon aan de andere kant van de lijn zeggen:
“Maar weet je wie ik ben?”
Op zijn gezicht was een grote glimlach te zien.
Ik gokte dat de man een grap ging maken en vertraagde mijn pas om tijdens het voorbijgaan de clou van de grap mee te krijgen.
Even bleef het stil.
Toen zei de man:
“Ja… Maar weet je wie ik ben?”
Nog altijd overtuigd van een punchline van jewelste stopte ik met lopen en wachtte op een paar meter afstand van de man op de afloop van deze supergrap.
Weer bleef het stil.
En dan opnieuw:
“Ja… Maar weet je wie ik ben?”

De man glimlachte nog altijd maar de glimlach kreeg nu een beetje een verstard trekje.
Ik begon me ondertussen af te vragen wie er aan de andere kant van de lijn zou kunnen hangen.
Zou het zijn demente en hardhorende moeder zijn?
Of z’n kleinzoon van 1,5 jaar die het woord opa nog niet kent?
Weer stilte.

“Ja… Maar weet je wie ik ben?”

Van mij mocht de ontknoping van dit gesprek nu wel gaan komen.
De man was zich inmiddels bewust van mijn aanwezigheid en voelde de druk van het inlossen van zijn grap.
Daar leek de persoon aan de andere kant van de lijn echter geen benul van te hebben.
Want er volgde weer een stilte van een seconde of 3 en daarna hoorde ik de man opnieuw, nu enigszins geïrriteerd, zeggen:
“JA… maar WEET JE WIE IK BEN?”

De glimlach op het gezicht van de man was nu bijna verdwenen.
Dit was het moment dat ik een knikje naar hem maakte.
Een knikje dat duidelijk het teken gaf van:
“Gaat die grap nu nog komen of niet?”
De man begon wanhopig te worden en wilde deze inmiddels trieste vertoning toch tot een mooi einde brengen.
Dat mislukte echter volledig.
Want na weer een stilte van een seconde of 5 stamelde de man nogmaals:
“Jaaaa… Maar weet je wie ik ben?”

De man keek me verontschuldigend aan met een blik die zei ‘ik denk niet dat het nog gaat lukken vandaag’.
Op dat moment besloot ik dat het mooi was geweest en liep bij de man vandaan.
Twintig meter verder hoorde ik de man tussen al het straatlawaai door nog roepen:
“JA… MAAR WEET JE WIE IK BEN?!”

Geen idee wie die man was.